zondag 27 mei 2012

WAPPEREN

Het was zaterdag, in de vroege namiddag. Roderik stond aan de kassa, en ik was op het eerste verdiep boeken aan het uitzetten. Er heerste een rumoerige bedrijvigheid in de winkel; zowel beneden als boven was de jacht op het ideale moederdaggeschenk volop bezig. Een corpulente vijftiger die me vaag bekend voorkwam, zat gehurkt bij de tweedehands thrillers. Plots hoorde ik hem praten. Ik draaide me om en zag dat hij een gesprek met zijn mobieltje voerde. Een klein blond meisje hield zich staande aan zijn broek.
'Ja, 't is ik hé, zeg, luister eens, dat boek waar die bladzijden in ontbreken, hoe heet dat ook alweer?' Hij zweeg, de blik naar de grond gericht.
''De zevende kamer'? Ja, het staat hier tweedehands', hij kantelde het boek er achterwaarts van tussenuit.
'Weet je nog om welke pagina's het gaat?' Hij begon te bladeren.
Nu pas herkende ik hem, hij was me vorig jaar al opgevallen toen hij een rijtje tweedehands Nicci French verzamelde, en liet verpakken voor moederdag. Een succesformule, dus.
'Ja, die steken erin, oké, doei.' 's Avonds zag ik bij de verkopen dat hij zeven Aspe's had meegenomen.

De dinsdag nadien was ik de koffiehoek aan het afruimen, toen een vrouw met een knap gezicht me tegemoet kwam. Het was koud en druilerig voorjaarsweer, wat de glinstering op haar regenjas verklaarde.
'Excuseer dat ik u stoor', zei ze, 'maar mijn man is hier zaterdag geweest, en hij heeft toen enkele tweedehands Aspe's voor me meegebracht. Maar in een van de boeken ontbreekt een aantal bladzijden. Kan ik dat boek omruilen?'
Verbluft staarde ik haar aan terwijl de woorden hun malende werk deden. Ik speurde naar een aarzeling, iets onzekers in haar blik of houding, maar ze glimlachte me vriendelijk toe. De onschuld straalde van haar af.
'Natuurlijk', zei ik, 'als uw man het boek hier heeft aangekocht, nemen we het vanzelfsprekend terug, en dan zien we wel hoe we het oplossen.'

Een grote week later zag ik haar terug. Ik was een partij tweedehands aan het klaarmaken voor verkoop. Ondanks de sombere voorspellingen, bestookte de zon ongehinderd de achterste ramen wat zorgde voor een overbelichte koffiehoek, waardoor de rest van de winkel een duistere indruk maakte. Ik koesterde hoop dat ze zich bedacht had door de verwondering op mijn gezicht, of een stilte die ik onbewust had laten vallen. Ze droeg een luchtige bloemetjesjurk en had een doorschijnende sjaal om haar hals geknoopt. De strooien hoed wekte de indruk dat we ons reeds wekenlang middenin een hittegolf bevonden. Haar ogen gingen verborgen achter een duur uitziende zonnebril.
Ik herkende haar pas toen ze het vertrouwde inpakpapier uit haar tas opdiepte.
'Kijk', zei ze, 'het zit zelfs nog in de originele verpakking', en haalde het boek tevoorschijn. Ze opende het op de juiste plaats, zodat ik duidelijk kon zien dat het boek een sprong maakte van pagina 134 tot 147.
'Dat moet een vervelende ontdekking zijn geweest', zei ik. Ze knikte. Ik zocht in de verkopen van die zaterdag naar het juiste kasticket om het boek weer in ontvangst te nemen.

Vooraf had ik me afgevraagd hoe ik moest reageren. Zou ik open kaart spelen en zeggen dat ik haar man aan de telefoon had horen informeren naar de ontbrekende pagina's? Wat was dit trouwens: kattenkwaad of zwendel? Hoe dan ook, het idee om een volwassen vrouw, een moeder, er opzettelijk mee te confronteren stond me tegen. Bovendien was het mogelijk dat haar man het boek hier bij een vorig bezoek had gekocht, en ze pas later had geconstateerd dat er pagina's ontbraken. Waardoor dit in haar ogen zelfs een geoorloofde rechtzetting leek.

'U leest ze niet in de juiste volgorde', zei ik. Ze keek me verwonderd aan. 'Er zaten nog oudere Aspe's tussen de aankopen van uw man'.
'Omdat ik ze te duur vind nieuw, moet ik me tevreden stellen met wat ik tweedehands te pakken krijg', zei ze rustig, 'dus kan ik ze niet altijd in volgorde lezen. Bovendien zijn het grotendeels losstaande verhalen.'
Ze maakte het sjaaltje wat losser om haar hals.
'Hier heb ik het', zei ik, 'zeven euro. Wilt u het boek omruilen, of wenst u een cadeaubon in de plaats?'
'Doe maar die bon, mijn parkeerticket is bijna verstreken'. Ze aarzelde. 'Hoe kan zoiets gebeuren? Krijg je vaak boeken terug waarin bladzijden ontbreken?'
'Meer dan ik wil', zuchtte ik. 'Vreemd genoeg hebben we dit al eens eerder meegemaakt met dit boek, en daarom controleren we nu telkens of die bladzijden niet ontbreken.'
Hoewel ze niet bewoog, leek er iets in haar houding veranderd. De toenemende spanning deed mijn huid tintelen.
'Maar er is er dus toch nog eentje tussen de mazen geglipt', mompelde ik achteloos, alsof ik luidop dacht.
'De hitte zit binnen', pufte ze, en wuifde zichzelf koelte toe met de bon die ze daarna in haar handtas stopte. Met een wapperende sjaal verliet ze gehaast de winkel.

donderdag 24 mei 2012

ONGELUK BIJ EEN GELUK

Het was koud en ik presenteerde de Indiër met autopech
een kop koffie die hij weigerde,
maar gelukkig had ik thee in huis,
waardoor er nu plots iemand met een tulband
aan mijn keukentafel zat.

Nadat de man was opgewarmd wees hij me op de risico's
van ongehuwd samenwonen,
legde enkele onbenutte belastingsvoordelen aan me uit,
raadde me aan van elektriciteitsmaatschappij te veranderen,
en beoordeelde mijn toekomstplannen -
alsof ik een open boek was dat hij las.

'U drieënnegentig worden', zei hij tenslotte,
en 'ik elke dag voor u bidden'.
Hij toonde me een groezelige foto van zichzelf
waarop hij vroom biddend naast
een onopgemaakt bed in kleermakerszit zat.

Hij straalde iets goedaardigs uit en leek te goeder trouw
maar ik weigerde de vijfhonderd euro te betalen
waar hij - volgens zijn bidberekeningen en
adviesverstrekkingen - recht op had, bedankte hem, en riep,
terwijl hij kwaad wegliep, dat de thee gratis was.

vrijdag 18 mei 2012

BARMANBLUES

'Wat zou jij doen?',
vroeg de vaste klant,
nadat het laatste glas geleegd was
en hij me uitvoerig
over zijn huwelijksproblemen
had verteld.

'Het nog een kans geven',
zei ik beslist,
hoewel ik wist dat dit in strijd was
met het advies
dat ik de vorige nachten
had gegeven.

Maar er groeide een verlangen
naar een avond zonder hem.

woensdag 16 mei 2012

MOEDERDAG

Op de foto gaat ze verloren
achter mijn rood ogende vader,
een danseresje op één been,
het hoofd gebogen in een aureool
van armen.

Nadat ze vrolijk het voorwiel trof,
schommelend aan mijn stuur,
bracht ze rinkelend verslag uit
van de imperfecties
in het wegdek.

Verlegen lijmde ik haar bijeen,
dichter bij volmaaktheid
zou ik nooit komen,
en was verrast toen moeder
me op barstjes wees.

zondag 13 mei 2012

OVERLIJDENSBERICHT

We waren voor het eerst op zomerkamp.
's Avonds, bij het vuur, was iedereen stil.

'Kijk', zei de leider,
terwijl hij boven ons hoofd wees:
'vanwaar je ook omhoog kijkt,
de sterrenhemel is overal gelijk.'

Daar dacht ik aan
toen ik zijn foto
in de krant zag.

Want wat als het,
zoals nu,
bewolkt is?

woensdag 2 mei 2012

ZWAARTEKRACHT

Het regende niet maar wat naar beneden kwam
was net genoeg om de wrevel te verklaren
op het gezicht van de kale, bulldog-achtige man
die in tijden van vrede majoor zou kunnen zijn,
of misschien zelfs kolonel, maar zeker geen generaal
en met een nijdige stap vorderde hij naast de stadsbus,
de ruitenwissers zwiepten onderbroken door een interval,
en we gleden in colonne over het spiegelende wegdek
naar de lichten, toen we de aangelijnde poedel zagen

een kleine rozige poedel, die zich uit alle macht verzette,
het spichtige lijf geblokkeerd, de aars naar de aarde gericht
maar veel te licht tegenover het verstarde overgewicht
dat zich enkel van zichzelf bewust was, en niets merkte
van het vergeefse hurken, niets registreerde van het wezen
dat zich trachtte te ontlasten, en verbolgen staarden we opzij
tot het groene licht ons opnieuw met de stroom mee dwong
en we verder reden, de beklagenswaardige poedel
in gedachten, tot iets anders onze aandacht trok.

dinsdag 17 april 2012

HET RAADSEL VAN DE SCHOOT

'Dit is geen leven',
kermde de schoothond.

'Als ik op die schoot zit,
wil ik naar die schoot...
En als ik op die schoot zit,
wil ik naar die schoot...

Waarom lijkt een schoot
altijd zoveel warmer,
groter, zachter,
aan de overkant?'

woensdag 4 april 2012

KLEIN TEENTJE

Een grote, magere vrouw op hoge hakken wiebelde tussen de boekenkasten. Af en toe spiedde ze naar andere klanten, en het viel me op dat ze ook de deur in het vizier had. Uit haar frivole outfit leidde ik af dat ze verdwaald was, maar toch bleef ze hier rondhangen. Toen alleen wij twee nog overbleven, kwam ze aarzelend dichterbij.
'Het is gênant wat ik u moet vragen, maar ik vrees dat ik het anders nooit zal vinden. Ik zoek dat boek van Hot Marijke'.
Toen ik mijn kennissenkring later peilde, bleken de meesten goed te weten wie Hot Marijke was. Na een tijdje leek ze me zelfs zo beroemd, dat ik - ook al had ikzelf nog nooit van haar gehoord - argwaan koesterde als iemand beweerde haar niet te kennen.
Natuurlijk voelde ik aan mijn klein teentje dat het hier een ander soort schrijfster betrof dan pakweg Annelies Verbeke. Maar ik gokte in de richting van Ilse Nackaerts, of een Goedele Liekens.
De vrouw stond nerveus te draaien, terwijl ik Hot Marijke checkte op boekenbank. Ze had inderdaad een boek gepubliceerd, 'This iS My life'.
Een autobiografie die eind 2008 bij Standaard Uitgeverij verscheen, 19,95€ kostte, maar helaas niet meer verkrijgbaar was.
'Dat is vreemd.' Er kwam een bezorgde rimpel in haar voorhoofd.
'En zou het kunnen dat ze iets nieuws heeft uitgebracht? Mijn man meende dat hij reclame voor een boek op haar website heeft gezien'.
Ik tikte 'Hot Marijke' in het google-zoekvenstertje en merkte vanuit een ooghoek hoe de vrouw angstvallige blikken naar de deur wierp. Plots schudde ze het hoofd en zuchtte.
'Ik kan bijna niet geloven dat ik dit hier aan u vraag.'
'Ah, mevrouw', zei ik, misschien wat overmoedig, 'ik krijg hier de merkwaardigste vragen. Niets des mensen is een boekhandelaar vreemd.'

Ik klikte op de bovenste link die me rechtstreeks naar Hot Marijke's website bracht. Drie foto's van een rondborstige deerne vulden het scherm. Op de linkse foto wekte ze de indruk dat ze zich in de kelders van een of ander Brussels kasteel bevond, het wulpse lijf gesnoerd in een zwart leren corselet, geschraagd door benen in kinky laarzen die tot halverwege haar billen reikten. Haar handen zochten bovenaan steun bij een Andreaskruis, een evenwijdig kruis dat op twee uiteinden rustte en aan de muur was vastgemaakt. Ze keek angstig achterom, duidelijk bevreesd voor de kasteelheer die nu eerst een foto nam.
Op de middelste foto stond ze op een pleintje. Het viel op dat ze ook in het openbaar maar weinig kledij verdroeg. Haar huid bezat een mooi, bruin tintje, en het leek erop dat ze zo dadelijk zou gaan shoppen. Ze poseerde een beetje stoer, waarmee ze aan bodybuilding en spierversterkers deed denken.
En op de derde foto zag je Marijke aan zee. Ze droeg een witte blouse waaruit ze haar weelderige boezem had bevrijd. Het was een plezier om zien hoe ze, de ogen gesloten en het hoofd wat achterover, met volle teugen genoot van de zon. Achter haar aanstormende golven in de branding.
Middels een vlaggetje moest je nu je keuze maken; wou je verder in het Nederlands, Frans, Engels, Duits, of in het Vlaams?
Ik klikte op de laatste optie, en er kwam een venstertje te voorschijn waarin stond:

'Klik op OK indien u ouder bent dan 18 jaar
Gelieve anders de site te verlaten'

Het leek net echt, en ik grinnikte om de ironie waarmee de makers deze website hadden ingepakt.
De computer reageerde verdacht traag, alsof het ding me de kans wou geven alsnog op mijn stappen terug te keren, maar opende toen de link.
Flikkerende rode spots, aan en uit floepende neon's met NEW, WELCOME, en een grondplan van Knokke zorgden voor een goedkope achterbuurtsfeer.
Hot Marijke lachte me schalks toe vanuit een kleine foto in de linker bovenhoek. Op de beeltenis ernaast was ze gehuld in een minimalistisch rood latexpakje en stak ze haar blote kont nadrukkelijk achteruit maar de slim over de foto heen gedrukte rode letters SM & SEX GODDESS belemmerden het uitzicht.
Er waren verschillende linken naar Bio, Hot News, Famous, Mijn Blog, This iS My life (het uitverkochte boek) enzovoort. Maar nergens iets over een nieuw boek.
Ik scrolde verder naar beneden. De foto's werden brutaler. Marijke liet zich zonder scrupules langs alle kanten bewonderen. Zat naakt op haar knieën, suggestief achterom kijkend, of lag kronkelend in een bed, haast bezwijkend van genot onder haar eigen aanrakingen. Ze had een rubensiaans model en leek daar niet onder te lijden.
Dit was veel vrouw voor één lichaam.
Niet alleen haar handelingen, maar ook het lijf straalde iets pervers uit. Misschien had het te maken met de, wellicht opzettelijk, amateuristische foto's, maar nooit eerder was het verschil tussen naakt en bloot me zo opgevallen. Ze deed me zelfs even denken aan de kolossale kalkoen in Rowan Atkinson's 'Merry Christmas mr. Bean', een beeld dat ik echter snel verdrong.
De vrouw schuifelde heen en weer, zuchtte, draaide zich om, en overzag de winkel met een lege blik.

'Het spijt me', zei ik, 'maar ik zie hier nergens iets over een nieuw boek'.
'Oh nee, het is niet mogelijk... Heeft hij me werkelijk om een boek gestuurd dat reeds is uitverkocht?!'
Ze sloeg de ogen neer en bloosde.
Ik had met haar te doen en klikte voor alle zekerheid nog eens op de link naar het uitverkochte boek. Hier bood men het wel nog aan. Daarnaast werd vermeld dat het ook te verkrijgen was in alle boekhandels in Nederland en België, info die ondertussen dus verouderd bleek.
Xaviera Hollander was in elk geval een fan. Met een citaat werd en passant ook handig reclame gemaakt voor haar eigen, ondertussen allang vergeten boek: 'Hot Marijke is een echte happy hooker.'
Langzaam drong door dat dit veel meer dan een sekssite was. Dit was Alladin's wonderlamp, de poort langswaar je in Hot Marijke's hemel kwam. Als je dan toch besloten had om op deze manier door het leven te gaan, was het een geniale vondst: een website die de sleutel tot dit eenvrouwsbedrijf bevatte. Onder 'Info en tarieven' kwam je alles te weten over ontmoetingsplaatsen, prijzen en betalingswijzen, en de regels hoe het liefdesspel gespeeld zou worden met niets minder dan de Kama Sutra als keuzecatalogus. Er was zelfs een lidkaart waarmee je een jaar lang van buitengewone kortingen en aanbiedingen genieten kon. Op haar website omschreef ze zichzelf als Sex Goddess, maar eigenlijk was dit een bikkelharde zakenvrouw, met een nuchter hoofd als management, en een malse kont als werkvloer.

'Maar op haar website kun je haar eerste boek blijkbaar nog bestellen', zei ik. En zweeg wijselijk over de daaronder vermelde invitatie van Hot Marijke om haar als klant te bezoeken 'voor intiem of sm' waarbij je het boek voor 25€ ter plaatse kon bekomen, 'gesigneerd'.
'Ik zal het hem zeggen, en bedankt voor uw opzoekingswerk', zei de vrouw zonder me nog aan te kijken. Met haar benige verschijning vormde ze het tegenbeeld van Hot Marijke - en hoe wreed het ook was - ergens kon ik het verlangen van haar wederhelft naar ronde vormen wel begrijpen.
'Graag gedaan', mompelde ik, en zag met spijt in het hart hoe ze zich op die hoge hakken naar de deur manoeuvreerde. Want aan datzelfde kleine teentje kon ik nu voelen dat deze rood aangelopen vrouw hier nooit nog een voet binnen zou zetten.

zondag 25 maart 2012

FAN

Ik installeerde een nieuw inktpatroon in de printer onder de toonbank. Toen ik overeind kwam, stond iemand naar me te kijken. Meer was het niet.
Maar ik schrok zo hevig dat ik gilde, en de haren massaal voelde opveren. Terwijl ik bekwam, en het tot me doordrong dat deze reactie buiten proportie was, zette er een blos op.
Ik glimlachte in een vergeefse poging dit alles te ontkrachten.
De jongen beantwoordde m'n glimlach niet.
Hij wachtte met een emotieloos gezicht waaruit twee uitpuilende ogen op me priemden. Zijn hoofd stond iets naar voor op zijn schouders, zoals bij iemand die bijziende is, of niet goed hoort. Hij had halflang haar, links in een scheiding gekamd, droeg een klassieke bril met zwaar montuur, en transpireerde hevig. Op zijn wangen en kin woekerde een baard. Verder was hij nogal fors gebouwd. Met een schokje realiseerde ik me dat ik naar een karikatuur van mezelf keek.

''t Is voor de secret history van Kate Bush.'
Hij sprak de woorden langzaam uit, een beetje neuzelend en eentonig, nergens een buiging omhoog of omlaag.
Er ging een lichtje branden. Het was me opgevallen dat mijn collega het boek vorige week bij de bestellingen had ingevoerd.
Ik legde de jongen uit dat er een 'S' bij het order stond, wat betekende dat het een 'Speciale bestelling' was, en dat het wel enkele weken kon duren. Zijn gezicht klaarde niet op, maar werd er ook niet somberder door. Hij bleef me gewoon aanstaren met die koortsige, intense blik terwijl de druppels bij zijn slapen opbolden om bij een zekere hoeveelheid naar beneden te glijden en als waterige kerstballen in zijn baard te blijven hangen.
'We zullen bellen (ik keek snel even in het orderboek) Bram, als het boek binnengekomen is - dat bespaart je een vergeefs bezoek.'
Hij bleef stokstijf staan. Niet goed wetend wat ik nog kon zeggen, ging ik tenslotte verder met mijn werk.
Heel geconcentreerd volgde hij iedere beweging die ik maakte. Ik kreeg het onbehaaglijke gevoel dat er nog iets van mij verwacht werd, toen hij plots enkele schichtige blikken op de deur wierp. Hij haalde diep adem alsof hij zo dadelijk een tijdlang onder water moest blijven, en vertrok met haastige pas.

Precies een week later hoorde ik hoe iemand zijn fiets brutaal tegen het raam wierp. Bram spoedde zich naar de winkeldeur. Aan een hoog tempo liep hij me voorbij, recht naar de nis waar naast het aanbod kunst en architectuur ook film en muziek staat. Daar verdween hij uit het zicht.
Er trok een rilling door me heen toen hij plots weer voor me stond. De geruisloze snelheid waarmee hij zich voortbewoog was angstaanjagend.
''t Is voor de secret history van Kate Bush.'
Wat ik de vorige keer nog voor traagheid hield, leek me nu eerder een vorm van onzekerheid. Alsof hij onder het spreken naar de juiste woorden zocht. Ook nu kwamen ze onopvallend en bedeesd achter elkaar aan, als schapen die zich dankbaar achter het voorste schaap schaarden. Ondertussen rolden dikke zweetdruppels over zijn gezicht. Opnieuw legde ik uit dat het helemaal niet vreemd was dat het boek er nog niet was, want dat het wat langer duurde als je een 'Speciaal' boek bestelde. Hij bleef me aanstaren. Zijn bolle ogen knalden bijna uit dat papperige gezicht, en weer kreeg ik die onbehaaglijke gewaarwording dat ik niet meteen wist hoe het nu verder moest. Op dat moment keek hij enkele keren kort naar de deur, en ik voelde hoe zijn blik zich van me los maakte. Hij haalde diep adem en ging er met gejaagde pas vandoor.

Nadat Bram vertrokken was, besloot ik voor alle zekerheid eens na te gaan hoe het eigenlijk met zijn bestelling zat. Het zou de eerste keer niet zijn dat een order om de een of andere, nooit meer te achterhalen reden, niet was doorgegaan. Ik logde in bij de leverancier en scrolde in het overzicht terug naar de dag waarop de bestelling was ingevoerd. Het boek was in elk geval besteld: 'The Secret History Of Kate Bush (& the strange art of pop)'. Maar waar volgens het orderboek de 'S' van 'Speciale bestelling' had gestaan, stond nu de 'T' van 'Tijdelijk niet verkrijgbaar'. Het gebeurt wel vaker dat een uitgever te laat ontdekt dat een bepaalde titel uit voorraad is, en zich beraadt over een eventuele herdruk.
Het sloeg aan mijn hart. De gedachte dat het nog enkele weken kon duren vooraleer het boek arriveerde was bijna ondraaglijk, dat het voorlopig niet en misschien wel nooit kwam, een onnoemlijk wrede speling van het lot.
Ik ging na welke boeken momenteel beschikbaar waren over Kate Bush. Er verscheen een lijst met titels waaruit ik de biografie van Rob Jovanovic koos, en het recentere 'Under The Ivy'. Via getuigenissen van onder andere jeugdvrienden, muzikanten, managers en dansleraren wordt daarin een beeld geschetst van de vrouw die op haar dertiende in het blikveld kwam van David Gilmour, en op haar vijftiende ernstig overwoog haar muzikale carrière te ruilen voor een loopbaan in de psychiatrie.
Beide publicaties bleken vlot beschikbaar.
Misschien bezat hij inmiddels een van deze boeken, maar ik maakte mezelf wijs dat het hoe dan ook geen kwaad kon om iets van Kate Bush in huis te hebben.
En het bood troost dat ik wat achter de hand had. Vooral toen het gestommel weerklonk waarmee Bram's fiets tegen het raam viel, en hij snelwandelend op de deur af stoof. Hij vloog me voorbij richting muziekboeken.

Ik nam me voor me dit keer niet te laten verrassen, en bleef wachten op zijn terugkeer. Maar het werd middag, en toen ik nog een kwartier later nonchalant langs de nis liep, zag ik hem besluiteloos met de twee boeken van Kate Bush in zijn handen staan.
Ik nam een barstoel en ging zitten achter de toog van de koffiebar. Bladerend door de literaire bijlage van de krant, smeerde ik een boterham. Even later kampte ik met verstikkingsverschijnselen. Want toen ik verstrooid opgekeken had, was daar die koortsige blik die me blijkbaar al een tijdje in het vizier hield.
Ik veegde de tranen uit mijn ogen, en begaf me opnieuw naar de winkeltoog waarop de twee boeken lagen. Een gevoel van opluchting maakte zich van me meester. Maar dat was buiten Bram gerekend.
''t Is voor de secret history van Kate Bush'.
Met een zakdoek wiste hij het zweet van zijn gezicht. Ik besefte dat het zinloos was, maar legde toch uit hoe ik in de voorbije week gemerkt had dat de voorraadcode van zijn bestelling gewijzigd bleek. Dat het boek momenteel niet verkrijgbaar was. Hij bleef me met een diepe, niet aflatende interesse observeren, en ik voelde hoe de ruimte tussen ons vacuüm getrokken werd. Ik kreeg het benauwd, en voelde me duizelig worden. Plots leek het alsof ik van bovenaf toekeek. Naar wij die daar stonden, oog in oog, bevroren in de tijd, en de twee boeken van Kate Bush tussen ons in.

Tenslotte wist ik me uit de betovering los te maken, nam de boeken en scande ze in. Pas toen merkte ik dat ze nat waren, nat van de bezwete handen van Bram. Ik stopte ze snel in een zakje, en probeerde er verder niet aan te denken. Hij ritste een moeilijk bereikbare binnenzak van zijn jas open, en haalde een portefeuille tevoorschijn. Betaalde contant. Nadat hij het wisselgeld zorgvuldig had weggestopt, slaagde hij erin de portefeuille weer in de jaszak te manoeuvreren - die hij onmiddelijk dichtritste. Daarna verviel hij opnieuw in een ongegeneerd kijken.
Ik stelde me de wanhoop van zijn ouders voor.
'Ik heb je telefoonnummer in het orderboek bij je bestelling staan', zei ik, 'en mocht ik 'The Secret History' van Kate Bush alsnog in handen krijgen, dan ben jij de eerste die ik opbel'. Hij staarde naar me, eindeloos. Je zag de zweetdruppels ontstaan, en hun hele traject afleggen voor ze een duik in de diepte namen.
'Ik ben een fan van Kate Bush.'
Ik knikte, verrast. Hij nam het zakje met boeken vast en wierp enkele schichtige blikken richting deur.
Happend naar lucht holde hij weg.

dinsdag 13 maart 2012

TE LAAT

De natuur zint op wraak
zei de wetenschapper.
De mens haalt het niet.

Hoewel het best interessant was
kon ik het niet langer aanzien.
De mens moest vroeg uit bed.

dinsdag 6 maart 2012

PUUR OF MET IJS

Hunter S. Thompson, 'Rumdagboek'


De in New York wonende journalist Paul Kemp verkast naar de Caraïben om er aan de slag te gaan bij een plaatselijke, Engelstalige krant. We bevinden ons aan het begin van de jaren vijftig en alles ademt de sfeer van een veelbelovend, exotisch avontuur. Maar wat aanvankelijk een opstap naar een nieuw leven lijkt, evolueert in de kortste keren tot een compleet zinloze onderneming. Er heerst een gespannen sfeer op het eiland, en de redactie blijkt een samenraapsel van verlopen talent, gefrustreerde alcoholisten en voer voor psychologen. Uitgebluste, cynische hypocrieten die aan de ene kant lak hebben aan het kapitalisme, maar anderzijds met plezier in het witte zand bijten voor de Yankee dollar.

De hoofdredacteur probeert de doodzieke krant op alle mogelijke manieren te redden, maar gedraagt zich tenslotte als de kapitein van een gekapseisd schip. Wat volgt is een afvaart in een slingerende reddingsloep naar de donkere afgrond die de verdoemde personages reeds vanaf de eerste pagina's als een magneet naar zich toe zuigt. Een onontkoombare draaikolk waar alles in verdwijnt en die uiteindelijk het einde van de krant inluid. Maar terwijl de ratten het zinkende schip verlaten, slaat Kemp nog snel een bloedmooie nimf aan de haak. Sinds hij met haar op het vliegtuig naar Puerto Rico stapte, lijkt hij geobsedeerd door de jonge vrouw. Dat zij de vriendin van een gewaardeerde collega is, doet er dan allang niet meer toe.

Tussendoor wordt er rum gedronken, liters rum. Eenzaam, in muffe hotelkamers of bij collega's thuis. Op straatfestivals, in achterbuurten, op privéfeestjes of in groezelige bars. Ergens in de goot, of op witte stranden in de schaduw van palmbomen. Puur, aangelengd met water, ongekoeld als het niet anders kan, maar liefst met ijs. Uit dure glazen of goedkope flessen, en dat van ergens rond de middag tot diep in de zwoele nacht, dag na dag...

De publicatie van 'Rumdagboek' is voor een groot deel te danken aan Johnny Depp met wie de excentrieke, betreurde schrijver nauw bevriend was geraakt. Tijdens de opnames van 'Fear and loathing in Las Vegas' ontdekte Depp een stapeltje vroege dagboeknotities uit de tijd dat Thompson zelf als verslaggever in Puerto Rico werkte, eind de jaren vijftig. Hoewel hij aanvankelijk tegen publicatie was, kon Depp hem overhalen, onder meer door te wijzen op de documentaire waarde van het vergane tijdsbeeld dat hier wordt geschetst. Later gaf Thompson toe dat ook de financiële kant een rol had gespeeld. 'Rumdagboek' werd voor het eerst gepubliceerd in 1998.

Als lezer ervaar je een gezonde bewondering van de jonge schrijver voor het werk van grote literaire voorbeelden zoals Fitzgerald en Hemmingway. Maar daarnaast kun je hier ook al eens proeven van wat later als Gonzojournalistiek bekend zou worden: die ingenieuze mix van avontuurlijke gekte en overdrijvingen die Thompson op meesterlijke wijze wist te vermengen met ware feiten. Zoals de volledig uit de hand lopende, hilarische restaurantscene, die tussen de regels door de gespannen relatie tussen de lokale bevolking en de arrogante Amerikaanse journalisten blootlegt. 'Rumdagboek' is geen meesterwerk, maar een hoogst vermakelijk boek van een ooit eens veelbelovend, aanstormend talent.


Rino Feys © Cutting Edge

zaterdag 3 maart 2012

OPSPORINGSBERICHT

Het is bijna middag, en ik
en het dametje dat op haar bus wacht
en zuinig van haar Kriek nipt
met haar jas aan en haar muts op,
zitten op bleke rozen
in de versleten stoffering
van verchroomde toogstoelen
met benauwende armleuningen
in Hotel-Brasserie De Verdwaalde Ooievaar.

De barman vervangt het knetterende haardvuur
door het nieuws, het weerbericht,
en een opsporingsbericht waarin men oproept
om uit te kijken naar een zestigjarige,
kalende man met een vals gebit en beginnende snor,
bijziend, fors gebouwd en in het bezit
van zijn paspoort, die gisteren zijn woning verliet
om scheermesjes te kopen, en sindsdien
ontbreekt elk spoor, aldus een vrouwelijke stem
die klinkt alsof de vemiste een verre oom is
die ze nauwelijks heeft gekend.

''t Is hier warm', zegt het rood aangelopen dametje
maar ginds verschijnt de bus, dus wipt ze
van haar stoel en drinkt haar Mort Subite
in één keer leeg terwijl de zestigjarige,
kalende man ons een beetje scheel
maar verder hard en onscherp toelacht,
zet het glas neer, veegt haar mond af
waarbij er een brutale boer ontsnapt,
en mompelt schor dat, wat er ook gebeurt,
het niets wordt met die snor.

zondag 26 februari 2012

CADEAU

Hij liep tussen de boekenkasten heen en weer. Ik was ergens in verdiept en verloor hem uit het oog. Tenslotte legde hij de twee titels, die hij al tijdje beschermend in zijn handen hield, op de winkeltoog. 'Godenslaap' van Erwin Mortier, en 'De kinderen van Arthur' van Kristien Hemmerechts.
Ik scande de boeken uit.
'Het is voor de verjaardag van mijn vrouw', zei hij met een bezorgde frons.
'Een echte boekenwurm... Ik ben geen lezer, en ik gaf haar voorheen altijd een boekenbon. Maar de laatste keer vroeg ze: 'Kun je mij eens niet verrassen? Is eventjes rondkijken dan werkelijk zoveel gevraagd?' Ze begrijpt niet dat ik in een boekhandel verloren loop.'
Hij ontspande zich.
'Kun je ze samen inpakken?'
Het was gedurfd van hem, maar ik betreurde zijn keuze. Als zij werkelijk veel las, was de kans groot dat zij een van deze boeken reeds had gelezen. Het leek of hij mijn gedachten raadde.
'Als ik het ticket bijhoudt, kan zij ze dan nog omruilen?'
'Tuurlijk', zei ik automatisch.
De boeken hadden ongeveer dezelfde grootte, en met de eindejaarsperiode nog in de vingers, maakte ik er een presentabel cadeautje van.

Ik was het voorval reeds vergeten toen het pakje opnieuw voor mijn neus belandde. Het lintje zat er nog rond, maar het papier was al eens opengemaakt.
'Mijn man heeft deze boeken hier gekocht. Maar ik hou niet van Hemmerechts, en 'Godenslaap' heb ik gelezen.' Ze droeg een tweedelig mantelpak en had een strenge gelaatsuitdrukking.
'Wilt u eens nazien wat ze samen waard zijn, zodat ik weet hoeveel ik uit mag geven?'
Ze formuleerde de vraag zuinig en gebiedend, waardoor het vermoeden rees dat ze een leidinggevende functie had. Ik pakte de boeken uit, inspecteerde ze discreet, en scande ze weer in.
'Mijn man leest nooit een boek, en hij is totaal niet mee. Gewoonlijk koopt hij een cadeaubon, maar nu wou hij persé boeken geven...'
Ze koos 'Tirza' van Arnon Grunberg, en 'De geschiedenis van de liefde' van Nicole Krauss.
Zo mee was zij dus ook weer niet.

'Hij heeft zich nochtans ingespannen', kon ik niet nalaten te zeggen.
Ze keek me nieuwsgierig aan.
'Hij zei dat u de vorige keer vond dat hij er zich vanaf maakte met die boekenbons. Hij heeft toen een hele tijd gezocht.'
Ik begaf me op glad ijs, en ze keek me peinzend aan. Maar toen ze de boeken in haar tas stopte, kwam er een verlegen glimlach op, zo ongrijpbaar als een sneeuwvlokje.
'En al bij al viel zijn keuze nog mee', zei ze.
'Godenslaap' vond ik echt een prachtig boek. Jammer eigenlijk, dat ik het al gelezen had.'
Even later zag ik haar voorbijrijden op haar fiets. Het was natuurlijk mogelijk dat ze het voorval alweer vergeten was. Dat ze allang weer aan iets anders dacht.
Maar er sluimerde iets vrolijks in haar gezicht.

woensdag 8 februari 2012

OPA VOGEL

De vrouw keek me rustig aan. Ik wist zeker dat ik haar nog nooit gezien had, maar tegelijk kwam die blik me zo bekend voor dat het me uit evenwicht bracht. Het duurde even voor ik wist wat het was. Ze had de ogen van John Hurt.
Dat onverzettelijke, maar ook het weemoedige. De wijsheid, maar ook het onredelijke. Die subtiel aanwezige maar loodzware zweem van ontgoocheling.
'Mijn man is overleden. Hij was een groot liefhebber van vinken en duiven, en de kleinkinderen noemden hem opa vogel. En nu ben ik op zoek naar een kinderboek over een vogel die op een dag weg vliegt, en nooit terugkeert.'
Ik vroeg me af of we hier zo'n boek hadden, maar kon me niets voor de geest halen.
'Denkt u dat u zoiets heeft?' In haar stem klonk nieuwsgierigheid, maar in die ogen las ik dat haar wereld niet zou instorten als de uitkomst negatief was.

We liepen naar de rouwboeken voor kinderen. Ik stak haar 'Een opa om nooit te vergeten' in handen.
'Dat is te somber', zei ze. 'Daarbij, het moet over een vogel gaan. Een vogel die van hierboven toekijkt, en zorgt voor diegenen die beneden achtergebleven zijn.'
Ik was onder de indruk. Dat iemand geloofde dat zo'n specifiek, zelf bedacht verhaal misschien bestond. We begaven ons naar de kinderboekenafdeling, maar in al de boeken die we vastpakten verdween nergens een vogel, als er al een in voor kwam.
'Hebt u vooraan het tafeltje met de nieuwe aanbiedingen bekeken?'
Het was eigenlijk meer een wanhoopsvraag, en nee, dat had ze niet.
We liepen er naartoe en taxeerden het aanbod. Mooie boeken, daar niet van, maar iets met vogels zat er niet tussen. Ik deed nog een allerlaatste poging, hoewel ik wist dat die gedoemd was te mislukken.
'Dit boekje gaat ook over iemand die verdwenen is', zei ik, en wees Martha aan, een recent verschenen boek van Mannetje Koek, door Pieter Gaudesaboos & Lorraine Francis.
Ze las de eerste zin, 'Toen Martha stierf, waren haar vrienden heel verdrietig', en schudde traag het hoofd, haar blik op oneindig.
Alsof doordrong dat dit niet het boek was dat ze zocht, en het duidelijk begon te worden dat dit ook niet de plaats was waar ze het boek zou vinden.

Maar hoewel ik wist dat Martha Opa Vogel niet was, gaf ik nog niet op.
'In het boek ruimen sheriff Suikerklont, Mannetje Koek, blokje IJs en nog andere vrienden van Martha haar huis op na haar dood. Terwijl ze daarmee bezig zijn vertellen ze elkaar om beurten iets dat ze met Martha hebben meegemaakt. Dan nemen ze iets uit haar huis mee als herinnering.'
'Nee!' zei ze, met vermoeid wegdraaiende ogen en ergernis in haar stem, 'er moet een vogel in voorkomen!'
Strijdlustig keek ze me aan, al was er ook teleurstelling en mededogen in die blik.
Ze schoof haar handen in wollen handschoenen en liep naar de deur. Daar draaide ze zich nog even om en knikte naar de tafel waar we zojuist gekeken hadden.
'Ik kom nog wel eens langs, en misschien heb je tegen dan iets gevonden.'
Maar ze keek alsof het haar eigenlijk niets meer kon schelen.

Zij was die dag de klant waar ik nadien het langst aan dacht.

zondag 29 januari 2012

OVER HAZELWORM EN EIKELMUIS

Koos van Zomeren, 'Naar de natuur'


Ooit, lang geleden, viel 'Een vederlichte wanhoop' van Koos van Zomeren me in de schoot. Het kleinood telde amper drieënzestig pagina's, maar het was liefde van bij de eerste lezing. Een sublieme bundeling van vogelcolumns, het resultaat van tien jaar observeren. Nooit eerder had ik een schrijver ontmoet die het lot van de om ons heen tierende dieren met zoveel inlevingsvermogen had neergepend, die de natuur zo treffend distilleerde tot aangrijpend proza. Sindsdien volg ik Van Zomeren. Zijn oeuvre omvat inmiddels een kleine zestig boeken waaronder thrillers, romans, poëzie, verzamelde columns en dagboeken.

Onlangs verscheen 'Naar de natuur', naar eigen zeggen zijn laatste (natuurdag)boek. Omdat de koek op is, aldus de schrijver, en omdat hij in schoonheid wil afsluiten. Wat Van Zomeren, een natuurmens in hart en nieren, zo aan die natuur fascineert, is hoe ze probeert om te gaan met de onverschilligheid van de mens. Hoe ze diens redeloze handelen vooralsnog telkens weer te boven weet te komen. Het is in zijn ogen dan ook niet meer dan rechtvaardig dat mensen de prijs zullen moeten betalen voor het menselijke handelen. Want de natuur, 'dat is alles behalve mensen'.

Koos van Zomeren observeert en registreert zijn doordachte bevindingen met de nodige ironie en zoals gewoonlijk met een groot stilistisch vermogen. Hij verdiept zich in het wel en wee van hazelworm, eikelmuis en baardvleermuizen. Stelt vast hoe het uiterlijk van de buizerd zich al na enkele weken sneeuw heeft aangepast. Vraagt zich af of het echt zo slecht is gesteld met de kerkuil als men ons wil doen geloven. Hij heeft een somber toekomstbeeld, maar is sceptisch over de paniekzaaierij over de opwarming van de aarde. Wanneer de Gelderlander kopt dat de natuur in de war is vanwege de warmste novembermaand ooit, concludeert hij dat niet de natuur maar de mensen in verwarring zijn. Dat de natuur gewoon haar nieuwe mogelijkheden uitprobeert.

'Naar de natuur' is opgevat als een dagboek dat aanvat op 1 juli 2009 en eindigt in oktober 2010, afgewisseld met columns die hij voor de krant schrijft. Tussendoor volg je zijn correspondentie en kom je een en ander te weten over de boeken die hij leest. Hij smokkelt je zijn gezin in waar je de geboorte van zijn kleinkinderen meemaakt. Zalig zijn de bedenkingen die hij noteert tijdens de wandelingen met zijn hond Stanley. Van Zomeren wandelt tachtig kilometer per week! Zo ontdekt hij ijszwammen op wilgen, of leest met trouwe vriend Rob sporen in de sneeuw. Af en toe doet Stanley hem aan Rekel denken, de bastaardhond die dankzij de stukjes die hij jarenlang voor NRC schreef, beroemd geworden is.

Hoewel hij het sentiment schuwt, is terugkijken iets wat de 65-jarige schrijver wel vaker doet, soms met een zweem van heimwee. Over zijn honden: 'Ze zijn wel leuk, ze moesten je alleen niet zo vaak aan de dood doen denken.' Of zoals naar de tijd 'toen je zonder je wat dan ook af te vragen van sneeuw kon genieten'.

Hoewel Van Zomeren de niet mis te verstane boodschap als een heer formuleert, wordt het hem ook wel eens te machtig. Bijvoorbeeld als hij zijn ergernis ventileert over de blindheid van 'de winkelende mensheid, die deinende patat- of rookworstvretende, een combinatie van doffe kooplust en sluimerend chagrijn uitwasemende massa' voor de schoonheid van de natuur.

'Naar de natuur' is een waardig slotakkoord in een literair pleidooi om terug met de voeten op de grond te komen. Een manifest voor een menselijker omgang met de andere soorten die onze planeet bevolken. Koos van Zomeren blijft een klasse apart.


Rino Feys © Cutting Edge

TAFELBOEK

Martin Heylen, 'In mijn hoofd'


Ik zag Raymond voor het eerst toen ik vijftien was, in een parochiezaaltje ergens bachten de kupe. Meisjes, Je veux de l'amour, Brussels by night... Opnieuw geboren worden noemt men dat. Ook onvergetelijk: het aperitiefconcert op paasmaandag in de Kreun in Bissegem in het midden van de jaren negentig, Raymond op de piano die na een perfecte set afsloot met wat hij aankondigde als een nieuw nummer: Twee Meisjes.

Een optreden van Raymond verloopt zelden vlekkeloos. Diep teleurgesteld was ik als hij mijn lievelingsnummers tijdens een concert weer eens opzettelijk om zeep hielp of halverwege afbrak. En kwaad op mezelf, omdat ik mijn zuurverdiende zakgeld spendeerde aan een kaartje van een artiest die zichzelf (live) niet au serieux wou nemen. Maar telkens hij in de buurt kwam, stond ik toch weer op de eerste rij.

Televisiemaker/schrijver Martin Heylen werd door Raymonds platenchef uitgenodigd om iets rond zijne eigenzinnigheid te doen. Al gauw stond vast dat het geen biografie zou worden, want Heylen had geen zin om het turbulente leven van deze volkszanger annex rock 'n' roll animal geduldig te ontwarren en in kaart te brengen. Ook al halverwege dit aardse leven heeft hij naar eigen zeggen immers geen tijd meer te verliezen. Ze spraken af in een restaurant in Oostende en gingen, tussen de visschotels en witte wijn door, op zoek naar een concept.

Omdat het aan tafel is ontstaan, noemt Heylen het een tafelboek. Opzet: tien belangrijke thema's in het leven van de zanger, telkens gelinkt aan een nummer uit zijn repertoire, terug te vinden op de bijgeleverde cd. Over z'n jeugd, obsessies, vakmanschap, sport, muziek, en de liefdes van zijn leven. Over zijn geweldige madam Sigrid, de vriendschap met drummer Cesar, en bewondering voor Gerard Reve. En natuurlijk over zijn seksuele obsessies en fantasmen. Het is al langer geweten dat deze aimabele dwarsligger, wanneer hij op dreef is, geen (vijgen)blad voor de mond neemt.

Soms krijg je de indruk dat Heylen ons niets wil onthouden, en af en toe levert dat een mooi moment op. Bijvoorbeeld, wanneer een opeenstapeling van gedachten tot een verhelderend inzicht voert. Toch had het wat strakker gemogen. Ook het herhaaldelijk vermelden wanneer Raymond dringend naar het toilet moet (waarmee er een lijn onder een bepaald hoofdstuk getrokken wordt) hoefde niet echt. Maar je leert er Raymond in elk geval weer een beetje beter door kennen: he's human after all.

Daarnaast opent het boek een klein boekje over Martin Heylen. Want na een paar keer samen stappen ontstaat een band. De interviews lijken dan ook meer op gesprekken. Vragen worden bekentenissen, en verraden eigen gewoontes en rariteiten... Het kon iets discreter, maar snakken we niet allemaal naar een beetje zon?

En het boek is er toch maar mooi gekomen, vol verhelderende inzichten in deze fascinerende persoonlijkheid. Want niet zelden verandert zijne ongeduldigheid tijdens het gesprek gewoon van mening. Raymond omzwachtelt zijn kleine kantjes niet. Bij momenten geeft hij zich volledig bloot. Niets des mensen is hem vreemd en hij is niet te beroerd dat voor Jan en alleman te bekennen.

Zo legt hij op een bepaald moment ook uit dat hij op het podium niet kan veinzen. Dat hij voor bepaalde nummers soms niet in de stemming is, en dat het (uit)spelen ervan dan op verraad lijkt van zichzelf en het publiek. Had ik dat destijds maar geweten! Meer dan een prima tafelboek dus, voor alle liefhebbers van de muziek van Raymond, én ook een beetje voor de fans van Martin Heylen.


Rino Feys © Cutting Edge

dinsdag 17 januari 2012

DUEL

Hij draagt mijn hemden, schoenen, onderbroeken.
Als ik ergens heen ga, gaat hij mee. Hij zapt naar mijn
programma's op t.v., dweept met mijn favoriete boeken.
Hij bemint de vrouw die ik bemin, bezat de meisjes
die ik had, herinnert zich dezelfde lippen.

Wij lijken wel een tweeling in één lijf,
maar het verschil zit in de schil: hij kleineert,
bespot, loopt als een kip, bezat zich, profiteert
of veinst een inzinking terwijl de buitenwereld
mij met toenemende verwondering viseert.

Geen ogenblik mag ik verslappen, ben als de dood
voor mist en nevel in mijn hoofd, want ben ik eventjes
afwezig, dan is hij het die beslist. Nee echt:
we zitten dan misschien wel in dezelfde schuit, maar
hij fluit een ander lied. Hij is de worm die aan mij vreet.

Wij lijken wel een tweeling in één lijf,
maar vervloekt zijn wij als stel. En wat ik ook
probeer, steeds meer neemt hij het van me over.
Soms vraag ik me zelfs af of hij dan wel met mij,
en of ik niet met hem tot hier ben meegekomen.

Dus als je mijn gedragingen niet meer herkent,
beschouw dit als mijn testament, en weet
dat mijn grootste angst bewaarheid werd:
de dag waarop hij mij werd en ik hem,
waarvan ik het omgekeerde ben.

vrijdag 6 januari 2012

TOEKOMST

Ik zag geen toekomst in haar,
meer een tijdelijk verblijf
waar ik jaar na jaar
graag naar op vakantie ging.

Maar daar zag zij dan weer
geen toekomst in.

dinsdag 3 januari 2012

PARKEREN

Ik parkeerde en liep naar de boekhandel waar ik werkte om wisselgeld. De parkeermeters waren nog maar enkele weken in gebruik. Toen ik weer buiten kwam stond een parkeerwachter naast mijn wagen.
'Pardon', zei ik, 'maar ik ben hier nog maar net aangekomen'.
'Eérst een ticketje nemen' zei de wachter.
Hij was klein van stuk, tenger en droeg een Lennonbrilletje.
'Maar ik had geen kleingeld bij me', verdedigde ik me.
'Eérst een ticketje nemen, het eerste kwartier is gratis.'
'Maar ik werk hier, een kwartier is niet genoeg', protesteerde ik, maar zweeg toen hij hoofdschuddend de ogen sloot.
'Eerst een ticketje nemen, dan naar binnen lopen om wisselgeld, en vervolgens een nieuw ticketje nemen.'

De daarop volgende dagen hield ik de klok nauwlettend in het oog, maar wist toch enkele bonnen te verzamelen. Het tweede incident deed zich ongeveer een week later voor, toen ik toevallig van mijn werk opkeek en een andere parkeerwachter rond mijn wagen zag lopen. Met een schok realiseerde ik me dat mijn laatste ticket alweer een kwartier geleden verstreken was, en ik stormde naar buiten, 'ik weet het, ik weet het, ik ben te laat' roepend, stak de straat over, propte enkele munten in de automaat, nam een nieuw ticket en liep snel terug naar mijn wagen.
'Eigenlijk mag ik dit niet toelaten, maar voor deze ene keer dan', zei de wachter. Ik draaide me glimlachend naar hem toe, in de mening dat hij een grapje maakte, maar nors draaide hij zich om en beende weg.

Ik plakte briefjes aan mijn computerscherm, aan mijn toetsenbord, zette de eindtijd van zo'n parkeerticket op de rug van mijn hand, legde knopen in mijn zakdoek, maar wat ik ook probeerde, steeds weer zag ik op een bepaald ogenblik een wachter - nogal vaak die met het Lennonbrilletje - een foto nemen van mijn wagen. De bonnen stapelden zich op.
Langzaam verdween mijn innerlijke rust. Altijd sluimerde er iets op de achtergrond. Ik begon me te ergeren aan de keren dat ik opschrok, en snel naar de klok op mijn mobieltje of naar die digitale cijfertjes rechts onderaan mijn computerscherm keek. 's Nachts droomde ik over Lennon de parkeerwachter.
Er moest iets veranderen. Dit was geen leven.

Tenslotte vond ik een trucje dat redelijk goed werkte: ik activeerde de wekfunctie van mijn gsm. Die liet ik even voor eindtijd aflopen, negen minuten om precies te zijn, en dat was niet toevallig.
Omwille van technische beperkingen zag men zich tientallen jaren geleden verplicht de eerste klokradio's om de negen minuten te laten afgaan. Hoewel inmiddels volledig achterhaald bleef de sluimertijd al die tijd onveranderd omdat iedereen het zo gewoon geworden was.
Wanneer mijn gsm het minst enerverende geluid uit de keuzemogelijkheden liet horen, had ik nog negen minuten de tijd om de klant(en) af te werken, me van kleingeld en autosleutels te voorzien, de straat over te steken en een nieuw ticket te nemen. Wanneer het tegenzat, kon ik de klant er bij het tweede signaal op wijzen dat mijn parkeerticket ten einde was, en snel even over en heen hollen. De klant zou daar beslist begrip voor hebben, maar eigenlijk vond ik dat weinig professioneel. Dat verklaarde waarom ik soms toch enkele minuten te laat naar buiten rende. Die keren rekende ik op de goodwill en het gezond verstand van zo'n wachter. Het kon toch onmogelijk op enkele minuten aankomen?

'Bent u al aan het schrijven?' vroeg ik aan de parkeerwachter die naast mijn wagen stond. Hij keek bedenkelijk achterom.
'Gedeeltelijk', zei hij. Ik lachte, maar toen doordrong dat de man ernstig was, kreeg mijn lach een hysterische bijklank.
'Luister', vloog ik uit, mijn geduld raakte ten einde, 'ofwel sta ik er al op, ofwel niet, wat is het nu?'
De man keek verstoord.
'U moet eens luisteren', zei hij, 'u bent vijf minuten te laat, dus u hebt geen reden om zo'n toon aan te slaan. U staat nog niet op de bon maar toch geef ik u een halve dagticket.'
Ze hebben het niet over een boete, ze noemen het een halve dagticket, ook al is het dan minimum twee keer zo duur.
'Meneer', zei ik, ' ik werk hier. Iedere twee uur ren ik naar buiten om een nieuw ticket te nemen. Twee ticketten in de voormiddag, en twee ticketten in de namiddag, terwijl het mijn taak is om achter de toonbank van deze winkel te staan. U begrijpt toch dat het niet altijd even gemakkelijk is om mijn plaats daar te verlaten?'
'Het is u nu toch ook gelukt?' zei de man rustig.
Ik dacht dat er iets in mijn hoofd ging knappen.

'Excuseer, eigenlijk heeft u gelijk', zei de wachter plots. Argwanend keek ik hem aan.
'Echt, u hebt helemaal gelijk. Tien minuten speling, dat zou de regel moeten zijn'. Hij knikte naar me, alsof hij het daar werkelijk volledig mee eens was.
'Dus is het aan u om iets te ondernemen, en naar het stadhuis te gaan, om te protesteren. Want zij bepalen de regels, zij zeggen hoe het moet. Ik doe alleen mijn job. Daarom krijgt u nu een ticket.'
'Schrijf maar!', riep ik en liep met grote stappen de winkel in.
Hij schreef.
Een kwartier later was ik nog steeds woedend. Ik was er zelfs een beetje misselijk door. Ik sprak mezelf vermanend toe dat het de moeite niet was me er zo in op te winden. Maar ik luisterde niet. Tenslotte beloofde ik mezelf om nog beter op te letten, maar tevens dat ik erin zou berusten als ik de wachter weer eens zag schrijven. En dan een glimlach te produceren. Alsof het een wedstrijd was, en ik een sportieve verliezer. Het was al te belachelijk omwille van deze onzin een hartkwaal te kweken. Ik had trouwens al enkele dagen een beklemmend gevoel in mijn borst.
In de daaropvolgende weken leek deze nieuwe regel zijn vruchten af te werpen.

Op een morgen kwam ik aan de winkel en had onderweg met de wagen al enkele parkeerwachters gezien. Gealarmeerd nam ik direct een ticket van een kwartiertje, en liep toen naar binnen. Toen ik meteen daarna met het eerste van de twee winkelborden en wat wisselgeld naar buiten kwam, zag ik Lennon naderen, iedere wagen die hij passeerde nauwlettend inspecterend. Hij liep me voorbij, bekeek het ticketje in mijn wagen en draaide zich naar me toe.
'U weet dat uw ticket zo dadelijk verstrijkt?'
'Jazeker', zei ik.
'En u weet dat een ticket van een kwartier een tweede keer ongeldig is?'
'Nee, dat wist ik niet' zei ik, 'maar ik heb wel wat anders te doen dan om het kwartier naar buiten te hollen' en toonde het wisselgeld in mijn hand.
Hij liep verder, ik nam een ticket, legde het in mijn wagen en haalde het tweede bord naar buiten. Ik voelde me opgelaten en het nummer dat ik daarnet in de wagen hoorde van Kommil Foo dreunde nog na tussen mijn slapen. Ik maakte er mijn eigen versie van en zong, terwijl ik opnieuw naar binnen liep en ondertussen mijn uitstalraam inspecteerde, 'Eenzaam, eenzaam... Eenzaam is de parkeerwachter, die niet scoort...' Tot mijn verrassing passeerde Lennon me opnieuw. Blijkbaar had hij verder rechtsomkeer gemaakt, en was teruggekeerd. Hij keek emotieloos voor zich uit terwijl hij verder wandelde. Er bekroop me een gevoel van schaamte. Want eigenlijk draag ik Lennon geen kwaad hart toe. Tenslotte is het zijn job om halve dagticketten uit te reiken.
Soms, als er zich enkele klanten aan de kassa bevinden, en iemand zich moet haasten omwille van een verstrijkend ticket, komt het parkeerbeleid ter sprake. De kijk op de situatie is dan meestal nogal eenzijdig, en af en toe is er dan wel iemand die ronduit beweert dat parkeerwachters op commissie werken. Dat lijkt me nogal sterk, maar mocht het waar zijn, dan zou je kunnen stellen dat een parkeerwachter verhinderen te schrijven eigenlijk een vorm van broodroof is.

En ik heb te doen met de parkeerwachters die de wind van voor krijgen omdat ze aan het schrijven zijn. Regelmatig hoor je hoogoplopende discussies in de verte, en zie je een parkeerwachter die de scheldpartij lijdzaam ondergaat. Er loopt zelfs een wachter met zwarte huidskleur door de straten. Ongelofelijk vind ik het dat die man hiervoor werd aangeworven. Eén keer heb ik het meegemaakt dat iemand hem vroeg of wij dat ginds, in zijn land van herkomst, ook zouden moeten proberen... Regelmatig hoor ik van klanten in de winkel hoe het verbaal geweld tussen iemand die een ticket kreeg, en die wachter even leek te zullen ontaarden in een handgemeen, ware het niet dat de zwarte man het gesprek dan stopzet en de racistisch getinte storm lijdzaam ondergaat. Nee, ik acht een groot deel van het Roeselaarse volkje niet klaar voor een zwarte parkeerwachter, en vrees dat het de arme man op een dag slecht zal vergaan. Terwijl het niet zijn schuld is, maar van diegene die te laat komt, of helemaal geen ticket genomen heeft. Met mezelf heb ik afgesproken om nog beter mijn best te doen en er gewoon altijd voor zorgen dat er een geldig ticket ligt.

Maar vanmorgen bleek nogmaals dat goede voornemens vaak onopgewassen blijken tegen de werkelijkheid. Het kassasysteem was vastgelopen, en na lang wachten had ik de computerman eindelijk aan de lijn. Ze waren onderbemand en overstelpt met werk. Tenslotte was hij ingelogd, zag mijn scherm en probeerde te achterhalen wat er misliep. Af en toe gaf hij een opdracht, want zelf kon hij bepaalde acties niet uitvoeren. Mijn gsm liep af. Ik had nog negen minuten. Ik vroeg hem of ik snel even het parkeerticket in mijn wagen kon vervangen, maar hij zei me dat hij geen tijd had om te wachten en zijn werk zo dadelijk afgelopen was. Ik volgde zijn laatste commando's op. Er waren twee klanten aan het wachten tot ik ze kon afrekenen. Mijn wekker liep opnieuw af. De computerman rondde af en haakte in. De telefoon ging onmiddellijk opnieuw over. Iemand die een bestelling wilde plaatsen. Tussendoor rekende ik de twee klanten af. De wekker in mijn gsm protesteerde voor de derde keer. Pratend in de telefoon liep ik naar buiten, keek op de kerkklok, boog me over mijn wagen en controleerde het tijdstip op het ticket. Tien minuten te laat. Ik keek snel om me heen om te zien of de parkeerwachter in aantocht was.

'Pardon, dat is mijn werk.' De grootste parkeerwachter ooit stond naast me. Sommige parkeerwachters lijken te zwemmen in hun uniform, maar bij deze man zat zijn pak als gegoten, dit was maatwerk. Hij straalde autoriteit uit, leek met zijn massieve snor eerder een agent, en het was meteen duidelijk dat hij geen tegenspraak duldde.
'Is dit uw wagen?' Hij draaide zich om.
'Dit is mijn wagen', beaamde ik.
'U weet dat u te laat bent?'
'Dat heb ik net gezien.'
'En?' Hij keek me streng aan.
'Wat gaat u daaraan doen?'
'Als u het me toestaat, neem ik nu snel een ticket.'
Een tweede parkeerwachter kwam voorzichtig dichterbij.
'Hophop! Haast je! Loop snel om een ticket!' Hij deed me denken aan een sergeant die wat obligate lol trapt tijdens de opleiding van jonge rekruten. Ik kwam in beweging hoewel de energie om me te haasten ontbrak. Het hele gedoe maakte me moedeloos.
'Maar... kijk eens naar mijn vinger!' Langzaam draaide ik me weer om.
Hij had een hand omhoog gebracht, en zijn wijsvinger ging ritmisch heen en weer. Hij keek er van opzij naar, met een blik alsof ook hij zich verwonderde over wat hij nu zag. Het leek wel een mechanische metronoom. Maar er kwam geen muziek bij kijken.
'Eén keer. Begrepen? Eén keer. En daarna nooit meer. Oké?'
Ik maakte aanstalten om mijn tocht naar de automaat verder te zetten, maar mijn lijf kwam in opstand en draaide zich andermaal om.
De grootsheid van een stad staat of valt met de bekwaamheid van haar ambtenaren.
'Mag ik u iets vragen', begon ik.
'Tuurlijk', zei hij, op me neerkijkend.
'Heb ik u iets miszegd? Was ik onbeleefd, of brutaal?'
'Nee', zei hij, een beetje aarzelend. Zijn collega kwam nog wat naderbij.
'Ik begrijp het niet goed', zei ik. 'Ik baat hier een winkel uit. Als u vindt dat u moet schrijven, dan moet u dat doen. Ik ben te laat, dus u hebt gelijk. Maar alstublieft...'
'Mijnheer! Neem een ticket! Nu! Dit is uw allerlaatste kans!'
Nadat hij me deze woorden had toegeblaft, maakte hij een bocht van honderdtachtig graden, en het zou me niet verwonderd hebben als hij met de hielen had geklakt. Samen met de andere parkeerwachter wandelde hij weg.

Mijn gezicht voelde aan als een bevroren meer waarop ik tevergeefs een glimlach probeerde te forceren.

zondag 25 december 2011

TOEVALLIGE VOORBIJGANGERS

Eric herinnerde zich dat hij in zijn achteruitkijkspiegel keek. Maar hij kon zich met de beste wil ter wereld niet meer herinneren of hij ook in zijn deurspiegel had gekeken.

Het was zondag, kort na de middag, en het bedrijf waar hij werkte organiseerde een opendeurdag. Van de personeelsleden werd verwacht dat ze dan op zijn minst hun gezicht lieten zien.
Maar hij was nog maar net vertrokken toen hij vaststelde dat hij zijn mobieltje niet bij had. Links in de verte zag hij een villa, ernaast een brede oprit en daarachter een bedrijf. Daar kon hij oprijden en omkeren. Met een loom gebaar activeerde hij de richtingaanwijzer. De luxueuze terreinwagens achter hem minderden vaart. Eric kwam bijna tot stilstand, en draaide toen linksaf.

Waar hij woonde, had men de rijbaan enkele jaren geleden heraangelegd. Hier en daar was een opening voorzien langswaar men in de riolen kon. Die gaten werden dichtgemaakt met metalen deksels, die zich iets beneden de oppervlakte bevonden. Daarover werd een laagje asfalt aangebracht. Maar om een of andere reden verzakten die dingen waardoor het asfalt erboven loskwam, en stukje bij beetje spoorloos verdween. De daverende schok waarmee voorbij rijdende wagens de put voor zijn deur raakten, werd normaal en voegde zich bij de andere achtergrondgeluiden.
Tot op een middag een visverkoopwagen langs reed. Het voertuig, ontworpen om in enkele bewegingen tot winkel omgebouwd te worden, bevond zich inmiddels dichtbij zijn uiterste houdbaarheidsdatum. Nadien gaf de, wonderlijk genoeg, ongedeerde visverkoper ook toe dat hij misschien wat te hard gereden had. In elk geval bleek de combinatie van metaalmoeheid, snelheid en het niveauverschil teveel gevraagd van het vehikel.
Later herinnerde Eric zich nog steeds haarscherp het aanzwellende lawaai waaraan niet te ontkomen leek. Hij had, de seconden dat het duurde, enkel gewacht op de klap die alles vermorzelde.
Het paneel waaronder mensen op druilerige marktdagen konden schuilen en dat de lengte van de verkoopwagen mat, was losgekomen en achter een geparkeerde wagen blijven steken. Het voertuig werd meegesleurd en botste tegen een tweede wagen aan. Daarna scheurde de visverkoopwagen in twee. Een deel kwam op de rijbaan terecht, de rest was gaan slingeren en had, vooraleer de gevel van een krantenwinkel te slopen, nog een aantal wagens geraakt. De ravage was enorm. Alsof er een bom was ontploft. Lukraak neergekwakte, gedeukte wagens die in plassen glas, plastic en metaal stonden, en overal tongen, schollen, grieten, roggen, zeebaarzen en kreeften. Een schouwspel zo absurd dat het bijna vreemd werd dat de dieren niet lagen te klapperen, of met hun staarten tegen het wegdek sloegen.

De herinnering daaraan kwam in een flits bij hem op terwijl zijn voorwielen het grind opreden. Want ook nu hoorde hij een gelijkaardig, aanzwellend lawaai. Van iets dat met toenemende snelheid uit elkaar leek te vallen, een wereld die instortte. Hij keek in zijn achteruitkijkspiegel. Daarna gebeurde alles in slow motion.

Hij zag een zware motor die aan hoge snelheid, in een opspattende regen van vuur, op zijn zijkant over de asfalt gleed. Daarachter de motorrijder, op zijn rug, in een rood-wit gelijnd pak. Hij schoof over de rijbaan, zijn hoofd naar voor, handen en benen omhoog, over de berm, door het gras en knalde toen achterover in de gracht. De laarzen waren het laatste dat Eric van de motorrijder zag. Het was zo onwerkelijk dat hij er bijna om moest lachen. Maar in plaats daarvan vloekte hij binnensmonds. Zijn huid tintelde, ieder haartje had zich opgericht en hij beefde ogenblikkelijk over heel zijn lijf. Hij keerde zijn wagen op de oprit en parkeerde zijdelings naast het huis. Misschien had hij zojuist iemand zien sterven. Meteen voelde hij de aandrang om te huilen. Hij haalde diep adem en verwonderde zich over de snelheid waarmee zijn emoties verhit raakten. Nu moest hij uitstappen en gaan kijken, maar hij greep nog snel in het handschoenkastje.
Zijn papieren zou hij nodig hebben.

Het oliespoor eindigde enkele tientallen meters verder in de berm, waar de motor tot stilstand was gekomen. De diepglanzende, opbollende stadsjeeps die daarstraks nog achter hem reden, waren ook gestopt. Enkele mannen liepen haastig naar de motor, anderen stapten aarzelend uit alsof ze zich in een soort tweestrijd bevonden. Een man knielde en trok de uitgestoken, modderige hand omhoog. De gehelmde motorrijder kwam tevoorschijn. Van zijn rood-wit gelijnde pak was niets meer te zien, hij zat helemaal onder het slib. Hij wankelde een beetje, maar het feit dat hij rechtop stond, bleef een bovennatuurlijke prestatie voor iemand die net zo'n smak had gemaakt. Twee toegesnelde mannen hielpen bij het verwijderen van zijn helm. Een jongeman kwam tevoorschijn. Hij keek aangeslagen naar zijn motor.

Eric passeerde een vrouw met een bontjas. Hij vroeg haar of zij wist wat er precies gebeurd was. Maar ze zei dat ze toen net op de kaart zat te kijken. Een van de mannen keerde naar zijn wagen terug. Hij droeg een lange lederen jas, zijn kale knikker en goudkleurig brilmontuur schitterden in de kille winterzon die door de wolken brak. De vrouw vroeg of de jongen gewond was. De man schudde het hoofd. Eric vroeg hem of hij het ongeval misschien had gezien.
'Ja', zei de man zakelijk, 'jij stak je richtingaanwijzer uit, en ik zag in mijn spiegel hoe hij in volle snelheid aankwam. Maar was hij toen gewoon doorgereden, dan zou er volgens mij niets gebeurd zijn.'
Het koppel stapte in hun wagen die daarna rustig wegreed. Ook de rest van de aanwezigen hield het voor bekeken en vertrok.
Voorbij rijdende passanten minderden vaart, en reden een tijdje stapvoets verder.
Uiteindelijk bleven enkel Eric en de jongen over.
Aarzelend ging hij dichterbij, en vroeg zich af wat hij kon verwachten. Een scheldpartij? Een slag in zijn gezicht? Uit alles sprak een hoge dosis testosteron waarvan de bezitter door de situatie mogelijk tot een kookpunt was gebracht.
Maar de motorrijder keek hem onverschillig aan.
'Ik heb om versterking gebeld. Ze komen zo dadelijk mijn motor halen. Heb je soms wat keukenpapier of iets anders waar ik me een beetje mee kan afvegen?'

Eric liep naar de grauwe villa waarnaast hij geparkeerd stond, en duwde op de snoet van het bronzen leeuwenkopje. Na een tijdje opende een man op kousenvoeten de deur. Aan zijn verwarde haardos kon je aflezen dat de deurbel hem gewekt had. Hij luisterde geduldig naar de wat verwarde uiteenzetting van het ongeval, stommelde de huiskamer in en kwam terug met een halve rol keukenpapier. Hij trok er een stuk af, zag de aarzeling op Eric's gezicht en voegde er nog enkele vellen aan toe. Daarmee haastte Eric zich naar de jongen die er eerst zijn gelaat, en daarna zijn handen mee afveegde, ondertussen in gedachten verzonken voor zich uit starend.
'Ongelooflijk dat je niets hebt', zei Eric. De jongen leek even in de war, alsof hij vergeten was dat daar nog iemand stond.
'Ik rijd wedstrijden op circuit', zei hij. 'Vallen is het eerste wat je daar moet leren.'

Een oude Volkswagen Golf parkeerde zich in de berm. Een magere vijftiger stapte hoofdschuddend uit, en keek vol ongeloof naar de motor.
'Hoe is het toch mogelijk!', brieste hij.
Uiterst spaarzaam met woorden, maar met des te meer armbewegingen reconstrueerde de jongen het ongeval. Maar de man leek niet onder de indruk.
'En nu?', klaagde hij, terwijl hij zijn armen ten hemel hief. 'En nu?'
'Wees toch blij dat ik niets heb', zuchtte de jongen.
'En wat ga je daarmee doen?', riep de man terwijl hij naar de plassen olie wees. De jongen keek moedeloos naar Eric, en vroeg of hij soms voor een emmer water kon zorgen. Eric vond dit eigenlijk een wat vreemde vraag aangezien hij hier zelf ook maar een toevallige voorbijganger was, maar besloot dat hij het nog eens bij het huis kon proberen. Om de een of andere reden liep de jongen met hem mee.
'Die motor kan me gestolen worden', mompelde hij, toen de man hen niet meer kon horen.
'Je moet je motor kunnen opgeven. Had ik me niet laten vallen, dan was ik nu dood geweest. Dan was ik op de zijkant van die wagen gevlogen. Die ging er ook niet best vanaf gekomen zijn...' Hij grinnikte.
Er liep een rilling langs Eric's ruggengraat.
'Er zijn er veel die met een motor willen rijden, maar het meest essentiële ontbreekt in hun opleiding. Daarom overleeft bijna niemand een valpartij. En ik heb natuurlijk ook veel aan dit pak te danken.' Hij wreef liefkozend met een hand over zijn hart waardoor het slib daar plaats maakte voor een stukje rood-wit leder.
'Stretch Kevlar met rugbescherming.'
Erik keek naar de gehavende rug. Naar de zwarte vegen op het bleke gezicht. Plots voelde hij een diepe ontroering. Het liefste wilde hij de jongen omhelzen.

Ze passeerden Eric's wagen, maar de jongen schonk er geen aandacht aan. De man op kousenvoeten was een heel stuk sneller bij de deur nu. Hij vloekte toen hij de jongen zag. Eric vroeg om een emmer water.
'Kom naar mijn atelier achteraan', zei de man, 'daar kun je je een beetje opfrissen', en verdween toen opnieuw in huis. Samen liepen ze het grasplein naast de villa op.
'Luister', begon Eric plots, alsof hij een beslissing had genomen, maar de jongen onderbrak hem.
'Bedankt', zei hij en stak zijn hand uit. Beduusd beantwoordde Eric de handdruk. Daarna draaide hij zich om en liep naar zijn wagen. Traag reed hij de parking af, en zag hoe de magere man de motor overeind probeerde te krijgen. Hij passeerde het huis en keek naar de binnenkoer, of de motorrijder nog ergens te zien was. In zijn achteruitkijkspiegel zag hij hoe de bewoner vloeibare zeep op de handen van de jongen goot. Maar het was alsof de jongen het niet merkte. Hij stond onbeweeglijk en keek naar hem, terwijl hij langsreed.
'Hij herkent de wagen', dacht Eric.